default logo

Visie

Waarom is ons werk nodig?

Van het belang van onderwijs hoef je niemand te overtuigen. Elke volwassene weet uit eigen ervaring hoe bepalend een goede opleiding – of het ontbreken daarvan – voor een mensenleven is. Ook politici zijn zich daarvan bewust; elke zichzelf respecterende politieke partij heeft gloedvolle alinea’s over onderwijs in het verkiezingsprogramma staan.

Dat onderwijs belangrijk is, geldt ook voor ontwikkelingslanden. Sterker nog. Een goed opgeleide bevolking is een voorwaarde voor ontwikkeling op heel veel gebieden. Onderwijs is niet alleen van belang voor de individuele ontwikkeling, het heeft ook grote impact op gezondheid, inkomensmogelijkheden, economische groei en deelname aan de democratie.

Maar hoewel niemand het grote belang van onderwijs betwist, hebben nog altijd heel veel mensen geen toegang tot goed onderwijs.

Iedereen heeft recht op onderwijs

Het recht op onderwijs werd al in 1946 opgenomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Omdat recht voor iedereen ook echt te realiseren, werden in 2000 wereldwijde afspraken gemaakt: de Education for All-doelen. In 2015 hadden die doelen moeten zijn behaald, net als de VN-Millenniumdoelen voor onderwijs.

Ondanks alle afspraken en beloften hadden in dat eindjaar nog altijd zo’n 124 miljoen kinderen en jongeren geen toegang tot onderwijs. Naar schatting 250 miljoen kinderen kregen in 2015 geen, te kort of zulk slecht onderwijs dat ze nooit zouden leren lezen en schrijven. Dat gold vooral voor kinderen en jongeren in de armste landen en in conflictgebieden. Onder hen zijn meer meisjes dan jongens en disproportioneel veel kinderen met beperkingen en uit etnische groepen.

Daarom maakte de wereldgemeenschap in 2015 nieuwe afspraken om het recht op onderwijs voor iedereen te garanderen: het Education 2030 Framework for Action en UN-Sustainable Development Goal 4 (SDG4).

Niet zonder maatschappelijke druk

Papier is geduldig: doelen stellen, afspraken maken en zelfs verdragen sluiten alleen is niet genoeg. Regeringen moeten woorden omzetten in daden: nationale wetgeving en onderwijsbeleid aanpassen opdat iedereen gelijke toegang heeft tot onderwijs; zorgen voor voldoende budget voor onderwijs; voor adequate faciliteiten en goed opgeleide leerkrachten. Westerse landen moeten beloften en toezeggingen over onderwijssteun voor ontwikkelingslanden gestand doen. Ze moeten meewerken aan andere manieren om onderwijs in de armste landen te financieren, bijvoorbeeld door belastingvermijding door internationale bedrijven in ontwikkelingslanden tegen te gaan. Om maar een paar dingen te noemen. Dat gebeurt meestal niet vanzelf. Veel regeringen moeten worden aangespoord om woorden om te zetten in daden en komen pas in actie onder maatschappelijke druk. Daarbij speelt GCE een belangrijke rol, zowel in ontwikkelingslanden als in westerse landen.

Iedereen draagt een steentje bij

Goed onderwijs is in beginsel een zaak van nationale overheden. Zij dienen zorg te dragen voor degelijk beleid, passende maatregelen en goede voorzieningen al hun burgers. Maar om goed onderwijs voor iedereen tot stand te brengen, is de actieve inzet nodig van alle betrokkenen: van kinderen en jongeren en van hun ouders (bijvoorbeeld door te voldoen aan de leerplicht), van leerkrachten en schoolleiders, van wetenschappelijke instellingen, van onderwijsvakbonden en andere maatschappelijke organisaties, van bedrijven en fondsen en van de internationale gemeenschap. Al deze betrokkenen kunnen en moeten op hun eigen wijze een bijdrage leveren aan goed onderwijs voor iedereen.

GCE is een wereldwijd netwerk van organisaties die zich op allerlei manieren inzetten om de onderwijsdoelen te behalen, nationaal en interntionaal. GCE-NL wil ervoor zorgen dat vanuit Nederland een optimale bijdrage wordt geleverd aan beter onderwijs voor iedereen: door de overheid en door alle andere betrokkenen.