default logo

De 17 VN-Duurzame Ontwikkelingsdoelen

SDGlogo

 

De 17 Duurzame Ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties

Download

‘Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development’

De Nederlandse vertaling als pdf


  • DE 17 VN-DUURZAME ONTWIKKELINGSDOELEN

    Klik op het algemene doel om te zien welke specifieke doelen eronder vallen. De doelen die betrekking hebben op onderwijs – ofwel expliciet, ofwel in de manier waarop het doel wordt gemeten – zijn groen gekleurd.

  • 1. Maak een einde aan alle vormen van armoede, overal

    1.1 – Maak vóór 2030 een einde aan extreme armoede voor alle mensen wereldwijd. Op dit moment vastgesteld als ‘moeten rondkomen met minder dan $ 1,25 per dag’.

    1.2 – Verminder vóór 2030 het aandeel mannen, vrouwen en kinderen van alle leeftijden die in armoede leven, met ten minste de helft. Dat betreft armoede in brede zin, volgens nationale definities.

    1.3 – Voer systemen en maatregelen uit voor sociale bescherming voor iedereen (waaronder sociale beschermingsbodems), die nationaal passend zijn. En zorg ervoor dat vóór 2030 een aanzienlijk deel van de armen en de kwetsbaren hiermee wordt bereikt.

    1.4 – Zorg ervoor dat vóór 2030 alle mannen en vrouwen – vooral de armen en de kwetsbaren – gelijke rechten hebben op economische middelen. Dat geldt ook voor toegang tot basisdiensten, eigenaarschap van en beheer over grond, en andere vormen van eigendom, nalatenschap, natuurlijke rijkdommen, passende nieuwe technologie en financiële diensten (zoals microfinanciering).

    1.5 – Bouw vóór 2030 de weerbaarheid op van de armen en van mensen die in kwetsbare situaties leven. Beperk hun blootstelling aan extreme klimaatverschijnselen en andere economische, sociale en ecologische schokken en rampen, en hun kwetsbaarheid daarvoor.

    Nodig voor de uitvoering:

    1.a – Voorzie ontwikkelingslanden – vooral de minst ontwikkelde landen – van de passende en zekere middelen om hun beleid voor armoedebestrijding te kunnen uitvoeren. Onder andere door ontwikkelingssamenwerking uit te breiden.

    1.b – Creëer stevige beleidskaders op nationaal, regionaal en internationaal niveau die maatregelen voor armoedebestrijding versneld ondersteunen. Baseer de beleidskaders op ontwikkelingsstrategieën die zich richten op de armsten en rekening houden met gender.

  • 2. Maak een einde aan honger. Zorg voor voedselzekerheid en betere voeding. En bevorder duurzame landbouw

    2.1 – Maak vóór 2030 een einde aan honger. En zorg ervoor dat iedereen het hele jaar door toegang heeft tot veilig, voedzaam en voldoende voedsel – vooral de armen en mensen in kwetsbare situaties, zoals kleine kinderen.

    2.2 – Maak vóór 2030 een einde aan alle vormen van ondervoeding. Zorg ervoor dat in 2025 de internationale doelstellingen voor het tegengaan van groeiachterstand en ondergewicht bij kinderen onder de 5 jaar zijn behaald. En voldoe aan de voedingsbehoeften van adolescente meisjes, zwangere vrouwen, vrouwen die borstvoeding geven en ouderen.

    2.3 – Verdubbel vóór 2030 de landbouwproductiviteit en de inkomens van kleinschalige voedselproducenten – vooral van vrouwen, inheemse bevolkingsgroepen, kleine boeren, nomadische veehouders en vissers. Onder andere door zekere en gelijke toegang tot grond, andere productieve hulpbronnen, kennis, financiële diensten, en markten; en tot kansen om toegevoegde waarden te creëren en om werk te vinden buiten te landbouw.

    2.4 – Zorg vóór 2030 voor duurzame voedselproductie. Gebruik veerkrachtige landbouwmethoden: die de productiviteit en de productie verhogen; die helpen om ecosystemen in stand te houden; die zich kunnen weren tegen klimaatveranderingen, extreem weer, droogte, overstromingen en andere rampen; en die de kwaliteit van het land en de bodem voortdurend verbeteren.

    2.5 –  Bewaar vóór 2020 de genetische diversiteit van zaden, cultuurgewassen, landbouwhuisdieren, huisdieren en hun verwante wilde soorten. Onder andere door gevarieerde zaad- en plantenbanken op nationaal, regionaal en internationaal niveau, die degelijk beheerd worden. Bevorder de toegang tot het gebruik van genetische rijkdommen en van de traditionele kennis die daaraan verbonden is; en bevorder het eerlijk en billijk delen van de voordelen die daaruit voortkomen, zoals is vastgelegd in internationale afspraken.

    Nodig voor de uitvoering:

    2.a – Investeer meer in rurale infrastructuur, landbouwkundig onderzoek en voorlichtingsdiensten, technologische ontwikkeling, en in genenbanken voor planten en vee, om zo het productievermogen van de landbouw in ontwikkelingslanden te verhogen – vooral in de minst ontwikkelde landen. Doe dat onder andere door ontwikkelingssamenwerking uit te breiden.

    2.b – Verhelp en voorkom handelsbeperkingen en verstoringen op de wereldlandbouwmarkten. Onder andere door het afschaffen van alle landbouwexportsubsisies en alle exportmaatregelen met eenzelfde effect, zoals is vastgelegd in de Doha Ontwikkelingsronde.

    2.c – Neem maatregelen die zorgen voor: het goede functioneren van markten van levensmiddelen en de daarvan afgeleide producten; en voor tijdige toegang tot marktinformatie, onder andere over voedselreserves. Om zo de extreme grilligheid van voedselprijzen te helpen beperken.

  • 3. Zorg voor gezondheid en bevorder welzijn voor iedereen, op elke leeftijd

    3.1 – Dring vóór 2030 de moedersterfte wereldwijd terug tot minder dan 70 per 100.000 levendgeborenen.

    3.2 – Maak vóór 2030 een einde aan vermijdbare sterfgevallen van pasgeborenen en kinderen onder de 5 jaar. Alle landen dienen ernaar te streven om het sterftecijfer onder pasgeborenen terug te brengen tot maximaal 12 per 1.000 levendgeborenen; en het sterftecijfer van kinderen onder de 5 jaar tot maximaal 25 per 1.000 levendgeborenen.

    3.3 – Maak vóór 2030 een einde aan epidemieën van aids, tuberculose, malaria en veronachtzaamde tropische ziekten. En bestrijd hepatitis, watergerelateerde ziekten en andere overdraagbare ziekten.

    3.4 – Verminder vóór 2030 met een derde de voortijdige sterfte door niet-overdraagbare ziekten door preventie en behandeling. En bevorder geestelijke gezondheid en welzijn.

    3.5 – Versterk de preventie en behandeling van misbruik van verslavende middelen, zoals drugsgebruik en het schadelijk gebruik van alcohol.

    3.6 – Halveer vóór 2020 het aantal verkeersdoden en -gewonden wereldwijd.

    3.7 – Zorg ervoor dat vóór 2030 wereldwijd iedereen toegang heeft tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg, zoals gezinsplanning, informatie en voorlichting. En zorg ervoor dat reproductieve gezondheid is geïntegreerd in nationale strategieën en programma’s.

    3.8 – Zorg voor een wereldwijde dekking van gezondheidsdiensten voor iedereen. Dat omvat onder andere: bescherming tegen financiële risico’s; toegang tot goede kwaliteit basisgezondheidszorg; en toegang tot veilige, doeltreffende, goede en betaalbare basisgeneesmiddelen en vaccinaties.

    3.9 – Verminder vóór 2030 in aanzienlijke mate het aantal sterfgevallen en ziekten door gevaarlijke chemicaliën, en door de vervuiling en besmetting van lucht, water en bodem.

    Nodig voor de uitvoering:

    3.a – Versterk de uitvoer van de Kaderovereenkomst voor de Bestrijding van Tabaksgebruik van de Wereldgezondheidsorganisatie in alle landen op een passende manier.

    3.b – Ondersteun het onderzoek naar en de ontwikkeling van vaccinaties en geneesmiddelen voor overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten die vooral de ontwikkelingslanden treffen.  Verschaf toegang tot betaalbare basisgeneesmiddelen en vaccinaties, in overeenstemming met de Doha Verklaring over de TRIP’s Overeenkomst en Volksgezondheid. Deze Verklaring bevestigt het recht van ontwikkelingslanden om volledig gebruik te maken van de speciale bepalingen in de Overeenkomst inzake de Handelsaspecten van Intellectuele Eigendomsrechten: de bepalingen over het beschermen van de volksgezondheid en over toegang tot geneesmiddelen voor iedereen.

    3.c – Verhoog aanzienlijk de financiering van de gezondheidszorg; en de werving, ontwikkeling, training en behoud van gezondheidswerkers in ontwikkelingslanden. Met name in de minst ontwikkelde landen en de kleine eilandstaten in ontwikkeling.

    3.d – Zorg ervoor dat alle landen, en vooral ontwikkelingslanden, snel kunnen waarschuwen voor nationale en wereldwijde gezondheidsrisico’s, en die risico’s beter kunnen beperken en beheersen.

  • 4. Zorg voor gelijkwaardig en goed onderwijs voor iedereen, geen enkele groep uitgesloten. En zorg voor voldoende mogelijkheden om ook later in het leven onderwijs te volgen

    4.1 – Zorg ervoor dat vóór 2030 alle jongens en meisjes volwaardig, gratis, gelijkwaardig en goed basis- en voortgezet onderwijs afronden. Het onderwijs dient te leiden tot relevante en bruikbare kennis en vaardigheden.

    4.2 – Zorg ervoor dat vóór 2030 alle jongens en meisjes toegang hebben tot goede peuterzorg en voorschools onderwijs, zodat ze goed voorbereid aan het basisonderwijs kunnen beginnen

    4.3 – Zorg ervoor dat vóór 2030 alle mannen en vrouwen in gelijke mate toegang hebben tot betaalbaar en goed vervolgonderwijs: technisch onderwijs, beroepsonderwijs, en hoger onderwijs, waaronder universitair onderwijs.

    4.4 – Zorg ervoor dat er vóór 2030 aanzienlijk meer jongeren zijn die beschikken over de juiste vaardigheden, waaronder beroepsvaardigheden, om werk of een fatsoenlijke baan te vinden of een eigen bedrijf te starten.

    4.5 – Zorg ervoor dat er vóór 2030 geen verschillen meer zijn tussen mannen en vrouwen wat onderwijs betreft. En zorg ervoor dat kwetsbare groepen, zoals mensen met beperkingen, inheemse bevolkingsgroepen en kinderen in kwetsbare omstandigheden, gelijke toegang hebben tot onderwijs en vaktrainingen op alle niveaus.

    4.6 – Zorg ervoor dat vóór 2030 alle jongeren en de meerderheid van de volwassenen kunnen lezen, schrijven en rekenen. Dat geldt zowel voor mannen als voor vrouwen.

    4.7 – Zorg ervoor dat vóór 2030 iedereen die onderwijs volgt, de kennis en vaardigheden meekrijgt die nodig zijn om zich in te zetten voor duurzame ontwikkeling. Onder meer door: onderwijs over duurzame ontwikkeling en duurzame manieren van leven, mensenrechten, gelijkheid tussen mannen en vrouwen, het bevorderen van vrede en geweldloosheid , wereldburgerschap, en respect voor culturele diversiteit en voor wat cultuur bijdraagt aan duurzame ontwikkeling.

    Nodig voor de uitvoering:

    4.a – Ontwikkel en verbeter onderwijsvoorzieningen die bijzondere aandacht hebben voor kinderen, voor mensen met een beperking en voor gender. De onderwijsvoorzieningen dienen iedereen een veilige, geweldloze, inclusieve en doeltreffende leeromgeving te bieden.

    4.b – Zorg ervoor dat er vóór 2020 wereldwijd beduidend meer studiebeurzen beschikbaar zijn waarmee mensen uit ontwikkelingslanden zich kunnen aanmelden voor hoger onderwijs in ontwikkelde landen en in andere ontwikkelingslanden. Dat betreft ook beroepsonderwijs en onderwijsprogramma’s in ICT, het ingenieurswezen en de wetenschap. De studiebeurzen dienen met name beschikbaar te zijn voor mensen uit de minst ontwikkelde landen, de kleine eilandstaten in ontwikkeling en de Afrikaanse landen.

    4.c – Zorg ervoor dat er vóór 2030 beduidend meer gekwalificeerde leerkrachten zijn. Onder andere door internationale samenwerking rond lerarenopleidingen in ontwikkelingslanden, met name in de minst ontwikkelde landen en de kleine eilandstaten in ontwikkeling.

  • 5. Zorg voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen. En empower alle vrouwen en meisjes

    5.1 – Maak overal een einde aan alle vormen van discriminatie tegen alle vrouwen en meisjes.

    5.2 – Neem alle vormen van geweld tegen alle vrouwen en meisje weg, zowel in de openbare sfeer als in de privésfeer. Met inbegrip van vrouwenhandel en uitbuiting – seksueel en anderszins.

    5.3 – Neem alle schadelijke praktijken weg, zoals kindhuwelijken, voortijdige en gedwongen huwelijken, en genitale verminking van vrouwen.

    5.4 – Erken en waardeer onbetaalde zorg en huishoudelijk werk: door te voorzien in overheidsdiensten, infrastructuur en beleid voor sociale bescherming; en door gedeelde verantwoordelijkheid binnen huishoudens en gezinnen te bevorderen. Doe dat op een manier die nationaal passend is.

    5.5 – Zorg voor volledige en doeltreffende deelname van vrouwen aan leiderschap op alle besluitvormingsniveaus in het politieke, economische en openbare leven; en op gelijke kansen daarop.

    5.6 – Zorg wereldwijd voor toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg en reproductieve rechten. Dat is al overeengekomen in het Actieprogramma van de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling en het Beijing Actieplatform en in de slotdocumenten van hun toetsingsconferenties.

    Nodig voor de uitvoering:

    5.a – Voer hervormingen door die vrouwen gelijke rechten geven tot economische middelen; en tot toegang tot: eigendom en beheer over grond en andere vormen van eigendom, financiële diensten, nalatenschap en natuurlijke rijkdommen. Doe dat in overeenstemming met nationale wetten.

    5.b – Vergroot het gebruik van faciliterende technologie, vooral van ICT, om empowerment van vrouwen te bevorderen.

    5.c – Ontwikkel en versterk deugdelijk beleid en afdwingbare regelgeving om gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen, en om empowerment voor alle vrouwen en meisjes op alle niveaus tot stand te brengen.

    t

  • 6. Zorg ervoor dat drinkwater en sanitaire voorzieningen voor iedereen beschikbaar is en duurzaam wordt beheerd

    6.1 – Zorg ervoor dat vóór 2030 veilig en betaalbaar drinkwater voor iedereen wereldwijd en billijk toegankelijk is.

    6.2 – Zorg ervoor dat vóór 2030 de toegang tot sanitaire voorzieningen voor iedereen voldoende en billijk is. En dat er een einde is gemaakt aan openbare ontlasting. Besteed daarbij vooral aandacht aan de behoeften van vrouwen en meisjes en mensen in kwetsbare situaties.

    6.3 – Verbeter vóór 2030 de kwaliteit van water: door vervuiling te verminderen; door vuilstort te stoppen; door de lozing van gevaarlijke chemicaliën en afvalstoffen tot een minimum te beperken; door de hoeveelheid onbehandeld afvalwater te halveren; en door recycling en veilig hergebruik wereldwijd aanzienlijk te laten toenemen.

    6.4 – Maak vóór 2030 het watergebruik in alle sectoren aanzienlijk doeltreffender. En zorg voor het duurzaam winnen en leveren van zoetwater. Om zo het watertekort terug te dringen en het aantal mensen dat leidt onder watergebrek aanzienlijk te verminderen.

    6.5 – Voer vóór 2030 integraal waterbeheer door op alle niveaus, en werk grensoverschrijdend samen waar dat passend is.

    6.6 – Bescherm en herstel vóór 2020 watergerelateerde ecosystemen, zoals bergen, bossen, wetlands, rivieren, grondwaterlagen en meren.

    Nodig voor de uitvoering:

    6.a – Ondersteun vóór 2030 ontwikkelingslanden met bredere internationale samenwerking en capaciteitsopbouw bij hun activiteiten en programma’s rond drinkwater en sanitaire voorzieningen. Zoals wateropslag, ontzilting, efficiënt watergebruik,  afvalwaterbeheer, recycling en hergebruik.

    6.b – Ondersteun en versterk de deelname van plaatselijke gemeenschappen bij het verbeteren van het beheer van drinkwater en sanitaire voorzieningen.

  • 7. Zorg ervoor dat iedereen toegang heeft tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energievoorziening

     7.1 – Zorg vóór 2030 voor wereldwijde toegang tot betaalbare, betrouwbare en moderne energiediensten.

    7.2 – Verhoog vóór 2030 in aanzienlijke mate het aandeel van hernieuwbare energie in de energiemix wereldwijd.

    7.3 – Verdubbel vóór 2030 de snelheid waarmee wereldwijd de efficiëntie van energie wordt verbeterd.

    Nodig voor de uitvoering:

    7.a – Breid vóór 2030 internationale samenwerking uit om de toegang tot onderzoek en technologie voor schone energie te bevorderen. Daaronder valt hernieuwbare energie, efficiënt energiegebruik, en geavanceerde en schonere technologie voor fossiele brandstoffen. En bevorder investeringen in de infrastructuur voor energie en in de technologie voor schone energie.

    7.b – Breid vóór 2030 de infrastructuur uit en verbeter technologieën om moderne en duurzame energiediensten voor iedereen in ontwikkelingslanden beschikbaar te maken. Met name in de minst ontwikkelde landen, de kleine eilandstaten in ontwikkeling en ingesloten landen. Doe dat in overeenstemming met hun steunprogramma’s.

  • 8. Bevorder blijvende, inclusieve en duurzame economische groei, volledige en productieve werkgelegenheid, en fatsoenlijk werk voor iedereen

    8.1 – Ondersteun economische groei per hoofd van de bevolking in overeenstemming met de nationale omstandigheden. En ondersteun met name een jaarlijkse groei van ten minste 7% van het bruto binnenlands product in de minst ontwikkelde landen.

    8.2 – Bereik meer economische productiviteit door diversificatie, technologische verbeteringen en innovatie. Onder andere door extra aandacht te besteden aan sectoren met een hoge toegevoegde waarde en aan arbeidsintensieve sectoren.

    8.3 – Bevorder ontwikkelingsbeleid dat zich richt op productieve activiteiten, het scheppen van fatsoenlijke banen, ondernemerschap, creativiteit en innovatie; en dat de formalisering en groei van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen bevordert. Onder andere door toegang tot financiële diensten.

    8.4 – Blijf voortdurend, tot 2030, het efficiënte gebruik van hulpbronnen voor productie en consumptie wereldwijd verbeteren. En streef naar een ontkoppeling van economische groei en milieudegradatie, in overeenstemming met het 10-Jarig Kader voor Programma’s voor Duurzame Consumptie- en Productiepatronen (10YFP). De ontwikkelde landen dienen hierbij de leiding te nemen.

    8.5 – Bereik vóór 2030 volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor alle vrouwen en mannen, dus ook voor jongeren en mensen met een beperking. En zorg voor gelijk loon voor gelijk werk.

    8.6 – Verminder vóór 2020 in aanzienlijke mate het aandeel jongeren dat geen werk heeft en geen onderwijs of opleiding volgt.

    8.7 – Neem onmiddellijke en doeltreffende maatregelen om gedwongen arbeid uit te bannen en een einde te maken aan moderne slavernij en mensenhandel. Garandeer het verbod op de ergste vormen van kinderarbeid en de afschaffing ervan. Dat geldt ook voor het werven en inzetten van kindsoldaten. En maak vóór 2025 een einde aan kinderarbeid in al haar vormen.

    8.8 – Bescherm arbeidsrechten en bevorder een veilige en betrouwbare werkomgeving voor alle werknemers. Onder andere voor arbeidsmigranten – en dan met name vrouwelijke arbeidsmigranten – en werknemers in onzekere werkomstandigheden.

    8.9 – Zorg vóór 2030 voor het ontwerpen en uitvoeren van beleid voor duurzaam toerisme, dat banen schept en de plaatselijke cultuur en producten ondersteunt.

    8.10 – Versterk de capaciteit van binnenlandse financiële instellingen om te bevorderen dat iedereen (meer) toegang heeft tot banken, verzekeringen en financiële diensten.

    Nodig voor de uitvoering:

    8.a – Verhoog de Hulp voor Handel-steun aan ontwikkelingslanden, vooral aan de minst ontwikkelde landen. Onder andere met het Verbeterde Geïntegreerde Kader voor Handelsgerelateerde Technische Bijstand aan de Minst Ontwikkelde Landen.

    8.b – Zorg vóór 2020 voor het ontwerpen en uitvoeren van een wereldwijde aanpak voor werkgelegenheid voor jongeren. En voer het Global Jobs Pact van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) uit.

  • 9. Bouw solide infrastructuur, bevorder inclusieve en duurzame industrialisering, en stimuleer innovatie

    9.1 – Ontwikkel goede, betrouwbare, duurzame en solide infrastructuur – ook regionaal en grensoverschrijdend – om economische ontwikkeling en het welzijn van mensen te ondersteunen. Let daarbij vooral op betaalbare en gelijkwaardige toegang voor iedereen.

    9.2 – Bevorder inclusieve en duurzame industrialisering. Vergroot vóór 2030 in aanzienlijke mate het aandeel dat de industrie heeft in de werkgelegenheid en in het bruto binnenlands product. Doe dat op een manier die aansluit op nationale omstandigheden. In de minst ontwikkelde landen moet dat aandeel verdubbelen.

    9.3 – Vergroot voor kleinschalige (industriële) bedrijven de toegang tot financiële diensten, zoals betaalbare leningen. Met name in ontwikkelingslanden. En laat die bedrijven beter aansluiten op waardeketens en markten.

    9.4 – Verbeter infrastructuur en moderniseer industrieën vóór 2030 om ze duurzaam te maken: met efficiënter gebruik van hulpbronnen, en met schonere en milieuvriendelijkere technologieën en industriële processen. Alle landen dienen zich daarvoor naar vermogen in te zetten.

    9.5 – Versterk vóór 2030 wetenschappelijk onderzoek en verbeter de technologische capaciteit van de industrie in alle landen, met name in ontwikkelingslanden. Onder ander door innovatie te stimuleren; door het aantal onderzoekers en ontwikkelingswerkers per miljoen mensen te verhogen; en door de publieke en private uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling te verhogen.

    Nodig voor de uitvoering:

    9.a – Bevorder de ontwikkeling van duurzame en solide infrastructuur in ontwikkelingslanden.  Doe dat door meer financiële, technologische en technische steun te geven aan de Afrikaanse landen, de minst ontwikkelde landen, ingesloten landen en kleine eilandstaten in ontwikkeling.

    9.b – Ondersteun de ontwikkeling van binnenlandse technologie, onderzoek en innovatie in ontwikkelingslanden. Onder andere met een gunstig beleidsklimaat voor industriële diversificatie en waardevermeerdering van grondstoffen.

    9.c – Vergroot in aanzienlijke mate de toegang tot ICT; en streef naar wereldwijde en betaalbare toegang tot internet in de minst ontwikkelde landen vóór 2020.

  • 10. Verminder ongelijkheid binnen en tussen landen

    10.1 – Zorg ervoor dat vóór 2030 bij de onderste 40% van de bevolking het inkomen sneller groeit dan het landelijk gemiddelde. En houd die groei in stand.

    10.2 – Zorg vóór 2030 voor de sociale, economische en politieke inclusie van iedereen. Ongeacht leeftijd, sekse, beperkingen, ras, etniciteit, herkomst, religie, economische status of andere status.

    10.3 – Zorg voor gelijke kansen en verminder ongelijke behandelingen. Onder andere door discriminerende wetten, beleid en praktijken weg te nemen; en door geschikte wetgeving, beleid en maatregelen te bevorderen.

    10.4 – Voer beleid dat tot steeds meer gelijkheid leidt, met name op het gebied van belastingen, lonen en sociale bescherming.

    10.5 – Verbeter de regulering van wereldwijde financiële markten en instellingen en het toezicht erop. En versterk het uitvoeren van de maatregelen daarvoor.

    10.6 – Zorg ervoor dat ontwikkelingslanden beter vertegenwoordigd zijn in wereldwijde internationale economische en financiële instellingen, en meer zeggenschap hebben in de besluitvorming. Zo worden deze instituten doeltreffender, geloofwaardiger, verantwoordelijker en legitiemer.

    10.7 – Ondersteun ordelijke, veilige, regelmatige en verantwoordelijke migratie en mobiliteit van mensen. Onder andere door het uitvoeren van voorgenomen en goed aangestuurd migratiebeleid.

    Nodig voor de uitvoering:

    10.a. – Pas het beginsel toe van ‘speciale en gedifferentieerde behandeling’ van ontwikkelingslanden, met name van de minst ontwikkelde landen, zoals is vastgelegd in de overeenkomsten van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).

    10.b – Bevorder de officiële ontwikkelingshulp en financiële stromen (zoals directe buitenlandse investeringen) naar landen waar de nood het hoogst is. Vooral naar de minst ontwikkelde landen, Afrikaanse landen, kleine eilandstaten in ontwikkeling en ingesloten ontwikkelingslanden. Doe dat in overeenstemming met hun nationale beleidsplannen en programma’s.

    10.c – Verlaag vóór 2030 de transactiekosten op overmakingen door migranten naar minder dan 3%. En zorg ervoor dat het niet meer mogelijk is om meer dan 5% transactiekosten te berekenen.

  • 11. Maak steden en nederzettingen inclusief, veilig, solide en duurzaam

    11.1 – Zorg ervoor dat vóór 2030 iedereen toegang heeft tot passende, veilige en betaalbare huisvesting en basisdiensten. En verbeter sloppenwijken.

    11.2 – Zorg ervoor dat vóór 2030 iedereen toegang heeft tot een veilig, betaalbaar, toegankelijk en duurzaam vervoersstelsel. Verbeter de verkeersveiligheid. En breid met name het openbaar vervoer uit. En let vooral op de behoeften van mensen in kwetsbare situaties, zoals vrouwen, kinderen, mensen met beperkingen en ouderen.

    11.3 – Maak vóór 2030 in alle landen verstedelijking inclusiever en duurzamer; en maak planning en beheer van nederzettingen participatief, geïntegreerd en duurzaam.

    11.4 – Versterk inspanningen die het culturele en natuurlijke erfgoed van de wereld beschermen en veilig stellen.

    11.5 – Verminder vóór 2030 in aanzienlijke mate het aantal sterfgevallen en slachtoffers van rampen (zoals watergerelateerde rampen). En verminder in aanzienlijke mate de directe economische schade die dergelijke rampen wereldwijd toebrengen aan het bruto binnenlands product. Let daarbij vooral op het beschermen van armen en mensen in kwetsbare situaties.

    11.6 – Verminder vóór 2030 de stedelijke milieuschade per hoofd van de bevolking. Onder ander door te letten op luchtkwaliteit, en op afvalbeheer door gemeenten en andere partijen.

    11.7 – Zorg vóór 2030 dat er wereldwijd toegang is tot veilige, inclusieve en toegankelijke groene en openbare ruimten. Vooral voor vrouwen en kinderen, ouderen, en mensen met een beperking.

    Nodig voor de uitvoering:

    11.a – Zorg voor een positieve economische, sociale en ecologische verbinding tussen stedelijke, randstedelijke en rurale gebieden, door nationale en regionale ontwikkelingsplannen te versterken.

    11.b – Zorg ervoor dat vóór 2030 beduidend meer steden en nederzettingen beleid voeren dat zich richt op: inclusiviteit, efficiënt gebruik van grondstoffen, beperking van klimaatverandering, aanpassing aan klimaatverandering, en weerbaarheid tegen rampen. En zorg voor integraal beheer van risico’s op rampen op alle niveaus, in aansluiting op het Sendai Kader voor Rampenbestrijding 2015-2030.

    11.c – Ondersteun de minst ontwikkelde landen in het bouwen van duurzame en solide gebouwen met plaatselijke materialen, onder andere met financiële en technische hulp.

  • 12. Zorg voor duurzame consumptie en productie

    12.1 – Voer het 10-Jarig Kader voor Programma’s voor Duurzame Consumptie- en Productiepatronen (10YFP) uit. Alle landen dienen maatregelen te nemen. De ontwikkelde landen nemen daarin de leiding en houden rekening met het ontwikkelingsniveau en de mogelijkheden van ontwikkelingslanden.

    12.2 – Zorg vóór 2030 voor duurzaam beheer en efficiënt gebruik van natuurlijke rijkdommen.

    12.3 – Halveer vóór 2030 wereldwijd de hoeveelheid voedselafval per hoofd van de bevolking in de retail en bij consumenten. En verminder voedselverlies bij de productie en levering van voedsel, zoals verliezen na de oogst.

    12.4 – Zorg vóór 2020 voor milieuvriendelijk beheer van chemicaliën en alle afvalstoffen in hun hele levenscyclus, in overeenstemming met internationale afspraken. En verminder in aanzienlijke mate het vrijkomen van die stoffen in de lucht, het water en de grond, om zo de schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu zo veel mogelijk te beperken.

    12.5 – Verminder vóór 2030 in aanzienlijke mate de productie van afval door preventie, reductie, recycling en hergebruik.

    12.6 – Stimuleer bedrijven, vooral de grote en transnationale bedrijven, om duurzaam te werken en om informatie over duurzaamheid op te nemen in hun rapportagecyclus.

    12.7 – Bevorder dat overheidsopdrachten duurzaam zijn, in overeenstemming met nationaal beleid en prioriteiten.

    12.8 – Zorg ervoor dat vóór 2030 mensen overal de nodige kennis hebben over duurzame ontwikkeling en over levenswijzen die in harmonie zijn met de natuur, en zich daarvan bewust zijn.

    Nodig voor de uitvoering:

    12.a – Ondersteun ontwikkelingslanden bij het versterken van de capaciteit van hun wetenschappelijk onderzoek en technologie om duurzamere consumptie en productie te verkrijgen.

    12.b – Ontwikkel en gebruik instrumenten om na te gaan wat de effecten zijn van duurzaam toerisme (dat banen schept en de lokale cultuur en producten ondersteunt) op duurzame ontwikkeling.

    12.c – Rationaliseer inefficiënte subsidies op fossiele brandstoffen die verspilling in de hand werken, door marktverstoringen weg te nemen. Doe dat op een manier die past bij de nationale omstandigheden. Onder andere door belastingen te herzien en milieuonvriendelijke subsidies geleidelijk af te schaffen. Houd daarbij volledig rekening met de specifieke behoeften en omstandigheden van ontwikkelingslanden. En beperk zo veel mogelijk de nadelige gevolgen op hun ontwikkeling, op zo’n manier dat het de armen en de benadeelde gemeenschappen beschermt.

  • 13. Neem dringend maatregelen om klimaatverandering en de gevolgen daarvan tegen te gaan

    13.1 – Vergroot in alle landen de weerbaarheid en het aanpassingsvermogen jegens gevaren die door het klimaat worden veroorzaakt, en jegens natuurrampen.

    13.2 – Integreer maatregelen rond klimaatverandering in nationaal beleid, strategieën en planning.

    13.3 – Verbeter voorlichting, bewustwording en het vermogen van mensen en instellingen om: klimaatveranderingen tot een minimum te beperken, zich aan klimaatveranderingen aan te passen, de effecten ervan te verminderen, en er tijdig voor te kunnen waarschuwen.

    Nodig voor de uitvoering:

    13.a – Voer de toezeggingen uit die ontwikkelde landen hebben gedaan met de Kaderovereenkomst inzake Klimaatverandering van de Verenigde Naties: breng vóór 2020 gezamenlijk jaarlijks 100 miljard US dollar bij elkaar om ontwikkelingslanden in staat te stellen maatregelen te nemen die klimaatverandering beperken en om inzicht te geven in de uitvoer ervan, en om het Groene Klimaatfonds zo snel mogelijk volledig in werking te krijgen.

    13.b – Zorg ervoor dat de minst ontwikkelde landen en de kleine eilandstaten in ontwikkeling meer capaciteit hebben om doeltreffend beleid te voeren rond klimaatverandering; vooral met het oog op vrouwen, jongeren, en plaatselijke en achtergestelde gemeenschappen.

  • 14. Bescherm oceanen, zeeën en mariene rijkdommen. En bevorder duurzaam gebruik ervan

    14.1 – Voorkom en verminder in aanzienlijke mate vóór 2025 alle vormen van mariene vervuiling. Vooral vervuiling afkomstig van activiteiten op het land, zoals zee-afval en vervuiling door voedingsstoffen.

    14.2 – Zorg vóór 2020 voor duurzaam beheer en bescherming van mariene en kust-ecosystemen om ernstige schade eraan tegen te gaan. Onder andere door de weerbaarheid van deze ecosystemen te vergroten. En neem maatregelen om deze ecosystemen te herstellen om zo gezondere en productievere oceanen te krijgen.

    14.3 – Beperk verzuring van oceanen tot een minimum en pak de gevolgen ervan aan. Onder andere door betere samenwerking op het gebied van onderzoek op alle niveaus.

    14.4 – Reguleer visvangst vóór 2020 op een doeltreffende manier. En maak een einde aan: overbevissing, illegale visvangst, en visserij die niet-gemeld, ongereguleerd en schadelijk is. En voer wetenschappelijk onderbouwd visserijbeheer door. Dit alles om zo snel mogelijk de visstanden te herstellen, ten minste tot het niveau waarop een maximale duurzame visopbrengst mogelijk is. De limiet daarvan wordt bepaald door de biologische eigenschappen van de vissen.

    14.5 – Bescherm vóór 2020 ten minste 20% van de kust- en mariene gebieden. Doe dat in overeenstemming met nationale en internationale wetten, en gebaseerd op de beste wetenschappelijke inzichten die voorhanden zijn.

    14.6 – Verbied vóór 2020 visserijsubsidies die bijdragen aan overbevissing. Schaf subsidies af die bijdragen aan visserij die illegaal, niet-gemeld en ongereguleerd is. En zie af van het introduceren van dergelijke nieuwe subsidies. Daarbij geldt wel dat ontwikkelingslanden bij de onderhandelingen over visserijsubsidies met de Wereldhandelsorganisatie (WTO) een speciale en gediffentieerde behandeling moeten krijgen.

    14.7 – Zorg ervoor dat vóór 2030 de kleine eilandstaten in ontwikkeling en de minst ontwikkelde landen meer economisch voordeel halen uit duurzaam gebruik van mariene rijkdommen. Onder andere door duurzaam beheer van visserijen, aquacultuur en toerisme.

    Nodig voor de uitvoering:

    14.a – Vergroot de wetenschappelijke kennis, ontwikkel onderzoekscapaciteit en draag mariene technologie over om de gezondheid van de oceanen te verbeteren. En om ervoor te zorgen dat de mariene biodiversiteit meer kan bijdragen aan de ontwikkeling van ontwikkelingslanden – vooral van de kleine eilandstaten in ontwikkeling, en de minst ontwikkelde landen. Houd daarbij rekening met de Criteria en Richtlijnen inzake de Overdracht van Mariene Technologie van de Intergouvernementele Oceanografische Commissie.

    14.b – Geef kleinschalige ambachtelijke visserijen toegang tot mariene rijkdommen en markten.

    14.c – Vergroot de bescherming en het duurzame gebruik van oceanen en hun rijkdommen door internationale wetgeving toe te passen. Zie de Conventie inzake het Zeerecht van de Verenigde Naties, dat de juridische kaders geeft voor de bescherming en het duurzame gebruik van oceanen en hun rijkdommen (vgl. paragraaf 158 van ‘The Future we Want’).

  • 15. Bescherm en herstel ecosystemen en bevorder duurzaam gebruik ervan. Beheer bossen duurzaam, bestrijd woestijnvorming en ga aantasting van het land tegen. Stop het verlies aan biodiversiteit

    15.1 – Zorg ervoor dat vóór 2020 de ecosystemen van bodems en binnenwateren worden beschermd, hersteld en duurzaam gebruikt. Dat geldt vooral voor bossen, wetlands, bergen en droge gebieden. Internationale overeenkomsten verplichten al daartoe.

    15.2 – Bevorder vóór 2020 duurzaam bosbeheer voor alle typen bossen. Stop ontbossing, herstel aangetaste bossen, en breid wereldwijd bebossing en herbebossing uit.

    15.3 – Bestrijd vóór 2030 woestijnvorming; herstel land en bodem dat is aangetast door onder andere woestijnvorming, droogte en overstromingen; en streef naar een wereld waarin land niet verder wordt aangetast.

    15.4 – Zorg ervoor dat vóór 2030 de ecosystemen en biodiversiteit van bergen worden beschermd. Om er zo voor te zorgen dat ze meer kunnen bijdragen aan duurzame ontwikkeling.

    15.5 – Neem dringende en ingrijpende maatregelen om: de aantasting van natuurlijke leefomgevingen tegen te gaan; het verlies aan biodiversiteit te stoppen, en het uitsterven van bedreigde plant- en diersoorten vóór 2020 te voorkomen.

    15.6 – Bevorder dat de voordelen uit het gebruik van genetische rijkdommen eerlijk en billijk worden verdeeld; en bevorder gepaste toegang tot die rijkdommen, zoals internationaal is overeengekomen.

    15.7 – Neem dringend maatregelen om het stropen en verhandelen van beschermde dier- en plantensoorten te stoppen. Richt de maatregelen op zowel de vraag naar, als het aanbod van illegale producten van wilde dieren en planten.

    15.8 – Voer vóór 2020 maatregelen in die de invasie van uitheemse soorten voorkomen. En maatregelen die tegengaan: dat deze soorten invloed hebben op de ecosystemen van land en water; en dat ze prioriteitssoorten overheersen en uitroeien.

    15.9 – Integreer vóór 2020 de waarde van ecosystemen en biodiversiteit in nationale en lokale beleidsplannen, ontwikkelingsprocessen, en strategieën voor armoedebestrijding.

    Nodig voor de uitvoering:

    15.a – Zet beduidend meer financiële middelen in om biodiversiteit en ecosystemen te beschermen en duurzaam te gebruiken.

    15.b – Zet op alle niveaus beduidend meer hulpmiddelen in om duurzaam bosbeheer te betalen. En moedig ontwikkelingslanden aan om zulk beheer in praktijk te brengen, onder andere voor bescherming van bossen en herbebossing.

    15.c – Vergroot wereldwijd de steun voor inspanningen die het stropen en verhandelen van beschermde soorten bestrijden. Onder andere door plaatselijke gemeenschappen beter in staat te stellen om op een duurzame manier een bestaan op te bouwen.

  • 16. Bevorder vreedzame en inclusieve samenlevingen voor duurzame ontwikkeling. Zorg ervoor dat iedereen toegang heeft tot justitie. En creëer doeltreffende, verantwoordelijke en inclusieve instanties op alle niveaus

    16.1 – Verminder overal in aanzienlijke mate alle vormen van geweld en de daarmee verbonden sterftecijfers.

    16.2 – Maak een einde aan de mishandeling, uitbuiting, verhandeling van kinderen, en van alle andere vormen van geweld tegen en marteling van kinderen.

    16.3 – Bevorder de rechtsstaat op nationaal en internationaal niveau. En zorg ervoor dat iedereen gelijke toegang heeft tot justitie.

    16.4 – Beperk vóór 2030 in aanzienlijke mate ongeoorloofde financiële en wapentransacties. Versterk het terughalen en teruggeven van gestolen activa. En bestrijd alle vormen van georganiseerde misdaad.

    16.5 – Verminder in aanzienlijke mate alle vormen van corruptie en omkoping.

    16.6 – Creëer doeltreffende, verantwoordelijke en transparante instellingen op alle niveaus.

    16.7 – Zorg ervoor dat besluitvorming op alle niveaus ontvankelijk, inclusief, participatief en representatief is.

    16.8 – Vergroot en versterk de participatie van ontwikkelingslanden in instellingen voor mondiaal bestuur.

    16.9 – Zorg ervoor dat vóór 2030 iedereen beschikt over een juridische identiteit, waaronder geboorteregistratie.

    16.10 – Zorg voor openbare toegang tot informatie en bescherm fundamentele vrijheden. Doe dat in overeenstemming met nationale wetgeving en internationale overeenkomsten.

    Nodig voor de uitvoering:

    16.a – Stel relevante nationale instellingen op alle niveaus beter in staat om bij te dragen aan het voorkomen van geweld en het bestrijden van terrorisme en misdaad. Vooral in ontwikkelingslanden. Doe dat onder andere door internationale samenwerking.

    16.b – Bevorder en handhaaf niet-discriminerende wetten en beleid voor duurzame ontwikkeling.

  • 17. Zorg voor de middelen die nodig zijn om de doelen uit te voeren. En versterk het Global Partnership for Sustainable Development

    Financiën

    17.1 – Versterk het inzetten van binnenlandse middelen om nationaal beter belastingen en heffingen te kunnen innen. Onder andere door internationale steun aan ontwikkelingslanden.

    17.2 – Ontwikkelde landen moeten hun toezeggingen voor officiële ontwikkelingshulp volledig nakomen. Dat geldt ook voor de toezegging die veel ontwikkelde landen hebben gedaan om 0,7% van hun bruto nationaal inkomen te besteden aan officiële ontwikkelingshulp (ODA/GNI) voor ontwikkelingslanden, en 0,15 tot 0,2% van ODA/GNI aan de minst ontwikkelde landen. ODA-donoren worden aangemoedigd om als doel te stellen dat ten minste 0,2% van ODA/GNI aan de minst ontwikkelde landen wordt besteed.

    17.3 – Zet extra financiële middelen in voor ontwikkelingslanden.

    17.4 – Help ontwikkelingslanden op een gepaste manier om langdurige schuldhoudbaarheid te verkrijgen: door gecoördineerd beleid op schuldfinanciering, schuldverlichting en schuldsanering. En pak de buitenlandse schulden aan van arme landen met een hoge schuldenlast om hun schuldennood te verlichten.

    17.5 – Zorg voor een goed investeringsklimaat in de minst ontwikkelde landen.

    Technologie

    17.6 – Vergroot de samenwerking tussen Noord-Zuid, Zuid-Zuid en de trilaterale samenwerking op regionaal en internationaal niveau op het gebied van wetenschap, technologie en innovatie. Vergroot ook de toegang tot die gebieden. En wissel meer kennis uit over de onderling overeengekomen voorwaarden daarover. Onder andere door een betere coördinatie van de al bestaande mechanismen daartoe, vooral op het niveau van de Verenigde Naties; en door een wereldwijd mechanisme om technologie te bevorderen.

    17.7 – Bevorder de ontwikkeling, overdracht en verspreiding van milieuvriendelijke technologieën aan ontwikkelingslanden tegen gunstige (zachte en preferentiële) voorwaarden, zoals wederzijds wordt overeengekomen.

    17.8 – Zorg ervoor dat vóór 2017 de technologiebank voor de minst ontwikkelde landen volledig in werking is. Net als de mechanismen die de capaciteit verbeteren voor wetenschap, technologie en innovatie. En zet meer technologie in om dit te ondersteunen, vooral ICT.

    Capacity building

    17.9 – Vergroot de internationale steun voor doeltreffende en doelgerichte capaciteitsopbouw in ontwikkelingslanden, zodat zij hun nationale beleidsplannen voor alle SDG’s beter kunnen uitvoeren. Onder andere door Noord-Zuid, Zuid-Zuid en trilaterale samenwerking.

    Handel

    17.10 – Bevorder een multilateraal handelssysteem onder de Wereldhandelsorganisatie (WTO) dat universeel is, gereglementeerd, open, niet-discriminerend en gelijkwaardig. Onder andere door de onderhandelingen onder de Doha Ontwikkelingsagenda af te ronden.

    17.11 – Vergroot in aanzienlijke mate de export van ontwikkelingslanden. Vooral om vóór 2020 het aandeel van de minst ontwikkelde landen in de wereldwijde export te verdubbelen.

    17.12 – Zorg er snel voor dat alle minst ontwikkelde landen blijvend rechtenvrije en contingentvrije toegang krijgen tot de markt, in overeenstemming met de besluiten van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Onder andere door ervoor te zorgen dat de preferentiële oorsprongsregels die van toepassing zijn op importen uit de minst ontwikkelde landen transparant en eenvoudig zijn, en bijdragen aan het verbeteren van de toegang tot de markt.

    Systemische kwesties

    Beleid en institutionele samenhang

    17.13 – Vergroot wereldwijd de stabiliteit van de macro-economie. Onder andere door betere afstemming en samenhang van beleid.

    17.14 – Breng meer samenhang in het beleid voor duurzame ontwikkeling.

    17.15 – Neem in acht dat elk land beschikt over eigen beleidsruimte en leiderschap om beleid voor armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling op te zetten en uit te voeren.

    Partnerschappen van verschillende belanghebbenden

    17.16 – Versterk het Global Partnership for Sustainable Development. En vul het aan met partnerschappen van verschillende belanghebbenden die kennis, expertise, technologie en financiële middelen inzetten en delen. Om zo te helpen dat de SDG’s in alle landen worden behaald, met name in de ontwikkelingslanden.

    17.7 – Stimuleer en bevorder doeltreffende partnerschappen – publieke, publiek-private en maatschappelijke –  voortbouwend op de ervaring van partnerschappen en hun strategieën om middelen in te zetten.

    Gegevens, monitoring en verantwoording

    17.8 – Stel vóór 2020 ontwikkelingslanden in staat om te beschikken over gegevens die hoogwaardig, actueel en betrouwbaar zijn; gegevens die zijn uitgesplitst naar inkomen, gender, leeftijd, ras, etniciteit, verblijfsstatus, beperking, geografische locatie en andere kenmerken die voor de nationale context relevant zijn. Dit geldt ook voor de minst ontwikkelde landen en de kleine eilandstaten in ontwikkeling.

    17.19 – Ontwikkel vóór 2030 meetinstrumenten die de voortgang op duurzame ontwikkeling bijhouden. Doe dat op basis van al bestaande initiatieven. De meetinstrumenten dienen het bruto binnenlands product aan te vullen en ontwikkelingslanden beter in staat te stellen statistieken te verzamelen.

 

naar boven